Alleenstaande vaders en een evaluatie

‘Je komt me bekend voor, woon je in de buurt?’ We zaten op een picknickbank bij een ijscokarretje in Nunspeet. Dit was in de tijd (lees: maandag) dat het nog 25 graden was, best heet op een volgeladen fiets in de zon. Die ochtend had de boswachter me dezelfde vraag gesteld. Of ik al vaker op zijn terrein gekampeerd had. ‘Ik zal wel een generiek gezicht hebben,’ zei ik. ‘Of u verwart me met Katja Schuurman.’ Iets wat een peuter laatst ook had gedaan bij het zien van haar foto in een blad.

Als je alleen met een kind reist, heb je automatisch een heleboel aanspraak. De combinatie moeder-dochter trekt blijkbaar nog meer de aandacht, vooral van alleenstaande vaders. ‘Dat zie je niet vaak, een moeder met haar dochter op fietsvakantie.’ Het is een makkelijke openingszin. En vreemd genoeg kom je via die zin dan heel snel op de gescheiden situatie van de man in kwestie. Dus, een tip voor alleenstaande moeders: ga met je kind rondhangen op een Natuurkampeerterrein, je hebt zo een nieuwe vent aan de haak geslagen bij het kampvuur. Werkt beter dan Tinder. Voorwaarde is wel dat je van ‘avontuurlijke types’ houdt.

Iets anders wat me opviel tijdens deze tocht is dat veel mensen denken dat op fietsvakantie met een kind heel moeilijk is. Vooruit, je bent de hele dag écht bezig en met twee volwassenen kun je de taken beter verdelen, maar als je jezelf geen tijdslimiet stelt, dan is het goed te doen. Vertrekken kost bijvoorbeeld erg veel tijd, omdat je alles zelf moet doen: ontbijt maken, bedden opruimen, tent opbergen, jezelf aankleden, je kind twintig keer aansporen dat ook te doen, twee sets tanden poetsen, twee keer haren kammen, twee keer blote ledematen insmeren etc. En dat afgewisseld met tikkertje spelen, de schommel duwen, een geheim paadje ontdekken en bloemen plukken, maar zo gaat het thuis vaak ook.

We vertrokken meestal pas tussen 12 en 13 uur, en dan moesten we na een half uur al stoppen voor de lunch. Dat we er dagelijks toch nog zo’n vijftig kilometer uit wisten te persen, verbaasde me. Maar op de fiets hadden we juist ons rustmoment. Dan was trappen het enige dat we hoefden te doen en gelukkig vond Mila dat ook leuk (dat helpt wel hoor: dat je kind fietsen en kamperen leuk vindt).

Inmiddels zijn we al weer thuis. De laatste fietsdag hadden we afgelopen donderdag, op Hemelvaartsdag. De koude nacht waren we goed doorgekomen met de extra deken van de beheerder, maar de kou in de ochtend had ik wat onderschat. Het was zo guur en grauw, dat we twee uur nodig hadden om op te warmen in een lunchroom in Assen. En toen moesten we nog 30 kilometer naar het  huis van onze vrienden. Ik kon me haast niet voorstellen dat we drie dagen eerder in de schaduw hadden zitten puffen van de warmte bij dat ijscokarretje. Later in de middag trok de temperatuur gelukkig wat bij, en konden we om 18.00 uur, heel luxe, aanschuiven bij het eten.

Samengevat: We hebben 250 km gefietst in vijf dagen. We hebben overnacht op Natuurkampeerterreinen: Dasselaar in Zeewolde, Landgoed Old Putten in Elburg, Dassenburcht in Punthorst en Thyencamp in Hooghalen. We hebben eekhoorns, konijnen, roofvogels en 600 koolwitjes gezien (Mila: 602). We hebben 36 mensen ingehaald, en zijn op onze beurt door 128 wielrenners gepasseerd. Desondanks bleven we positief.

‘Zou je nog een keer op fietsvakantie willen?’ vroeg ik vanochtend aan Mila. ‘Ja!’ riep ze meteen. ‘Wanneer?’

Advertenties